Je bent niet ingelogd. Log in om verder te gaan.

Ras en karakter omschrijvingen

rassen.jpg

 

 

Welkom bij Hondenschool LADY,
natuurlijk de baas.

Hier vind je rasbeschrijvingen van je hond.

karakter labradoodle

De Australian Labradoodle

De Australian Labradoodle is een hond die steeds meer voorkomt in het straatbeeld. Zijn populariteit komt voor uit zijn vriendelijke karakter, grappige uiterlijk en zijn allergievriendelijke eigenschappen. Het is echter niet zomaar een kruising tussen een labrador en een poedel, zoals vaak wordt gedacht, maar hij is ontstaan uit een mix van meerdere rassen die deze hond samen maken tot wat hij nu is.

Geschiedenis

In de jaren 70/80 ging men in Australië op zoek naar een hulphond die geschikt was voor een blinde vrouw met allergische klachten. Men kruiste een labrador met een poedel om zo de combinatie van hulphond, waar de labrador om bekend, staat en de allergie vriendelijkheid, waar de poedel om b

ekend staat, te krijgen. De man die dit begeleidde heette Wally Conran en noemde de kruising Labradoodle. Deze eerste generatie kruisingen bleek erg leuk, maar nog niet stabiel wat betreft geschiktheid als hulphond en allergievriendelijkheid. Men ging verder met ontwikkelen en door het inbrengen van nog enkele andere rassen ontstond als een geheim recept de Australian Labradoodle zoals wij die nu kennen. De rassen die “gebruikt” zijn om tot de ontwikkeling te komen zijn natuurlijk de labrador en de poedel, maar ook de Ierse waterspaniel, de curly coated retriever en de Amerikaanse en Engelse cocker spaniel. Je kan dus niet zomaar een Australian Labradoodle krijgen door alleen een poedel en een labrador met elkaar te kruisen.

Soorten en voorkomen

De Australian Labradoodle is een hond waar mensen vaak nog een keer hun hoofd voor omdraaien. Hij is atletisch en soepel, met heel veel haar en met zachte en vriendelijke ogen.  Ze komen voor in 3 maten. De mini is een vrij kleine hond die maximaal 42 centimeter hoog wordt, terwijl de standaard een forse hond is die wel tot 63 centimeter hoog kan worden en 30 kilo kan wegen. Het medium formaat zit daar weer tussen. Je hebt Australian Labradoodles in vrijwel alle kleuren van de regenboog, effen, maar je hebt ook de tweekleurige doodles.

Vacht

De vacht van een Australian Labradoodle is bijzonder omdat in de praktijk blijkt dat veel mensen die allergisch reageren op honden wel goed reageren op een Australian Labradoodle. Helaas geldt dat niet voor alle allergische mensen, waardoor het uitermate belangrijk is dat toch altijd eerst wordt getest of er goed op wordt gereageerd. Er bestaan twee soorten vachten: de wollen vacht en de fleecevacht. De wollen vacht heeft wel wat weg van de vacht van een schaap en de fleecevacht is zacht en golvend. Beide vachten kennen geen ruiperiode, maar net zoals mensen verliezen de honden toch altijd wat haar. De vacht moet goed onderhouden worden, anders kunnen er behoorlijk wat klitten ontstaan. Borstelen en trimmen zijn dan ook zaken die zeker niet onderschat moeten worden.

 

Hier is een kleine wasbeurt op zijn plaats


Sociaal gedrag

De Australian Labradoodle is vriendelijk en sociaal ten opzichte van vrijwel ieder mens en dier. Hij is behoorlijk nieuwsgierig en zal vrijwel altijd blij komen kijken wanneer er iemand bij de deur staat, zal vaak bedelen om wat aandacht en een knuffel en laat duidelijk blijken aandacht en knuffels zeer op prijs te stellen. Van kinderen kunnen Australian Labradoodles heel erg veel hebben. Het zijn echte kindervrienden en ze doen niets liever dan volop spelen, maar ook voelen ze de stemmingen van kinderen zeer goed aan en ze zullen wanneer een kind verdrietig is vaak rustig naast het kind gaan zitten of liggen om troost te bieden. Australian Labradoodles worden ook regelmatig gebruikt als therapiehond voor kinderen met autisme, down syndroom of andere speciale behoeften.

Ook richting andere honden stellen Australian Labradoodles zich nieuwsgierig en vriendelijk op. Ze zijn vrijwel niet dominant en houden er van om lekker te spelen en te ravotten. Natuurlijk vinden ze niet altijd alle honden even aardig, maar ruzie zoeken doen ze niet graag. Dan gaan ze liever een andere hond uit de weg.

Temperament

De Australian Labradoodle is erg intelligent, sociaal, komisch en zacht en rustig in de omgang.  Door zijn intelligentie is hij makkelijk te trainen. Zowel de gewone gehoorzaamheidscursussen als ook speciale behendigheidscursussen of opleidingen tot therapiehond zal hij goed en vrij gemakkelijk doorlopen en ook erg leuk vinden. Zijn intelligentie heeft ook een keerzijde. Wanneer hij niet goed wordt opgevoed of getraind zal hij de intelligentie aanwenden om zichzelf zo veel mogelijk ondeugende streken aan te leren en dan kan het een behoorlijk eigenwijze en vervelende hond worden. Geef hem dus voldoende goede geestelijk uitdaging.

Zijn sociale karakter maakt dat hij heel erg graag in de aanwezigheid van zijn baasje is. Het is absoluut geen hond om buiten te houden. Dan wordt hij echt ongelukkig. Het is ook geen hond om heel veel alleen te laten. Natuurlijk kan je hem wel leren enige tijd alleen te blijven en hij zal dat ook zeker accepteren, maar echt gelukkig is hij pas in aanwezigheid van mensen en ook andere honden. Hij gaat heel graag op pad met zijn baas en heeft ook fysieke uitdaging nodig. Hij neemt geen genoegen met alleen een rondje om het huis, maar wil iedere dag toch echt wel minimaal 1,5 uur beweging krijgen. Veel Australian Labradoodles zijn ook dol op zwemmen en doe je een groot plezier door ze lekker te laten ravotten met en in het water.Wanneer hij voldoende beweging krijgt is het binnenshuis een zeer relaxte en rustige hond.

 

Er moet bewogen worden

Activiteiten met een Australian Labradoodle

Australian Labradoodles zijn geen echte werkhonden, maar vinden wel vrijwel alles wat ze met hun baas kunnen doen leuk. Gehoorzaamheid, behendigheid, flyball, doggydance, frisbee, apporteren, zwemmen, eigenlijk is er maar weinig dat hij niet leuk zal vinden, hoewel het zeker geen typische jacht- of renhond is.

Als waakhond is de Australian Labradoodle waarschijnlijk niet de meest geschikte hond. Juist door zijn vriendelijke en sociale karakter treedt hij iedereen blij tegemoet. Ook blaffen ze niet heel erg snel, maar ze zullen wel aan slaan wanneer er echt iets vreemds aan de hand is.

Heel specifiek is dat ze prima kunnen worden opgeleid tot hulphond. Oorspronkelijk is dat natuurlijk ook waar ze voor zijn gefokt en gelukkig worden ze daar nog steeds zeer regelmatig voor gebruikt. Zeer recentelijk is er zelfs in Japan een organisatie gestart om Australian Labradoodles in te zetten in verpleeghuizen en in Nederland is er ervaring met het opleiden van de doodles tot hulphond voor kinderen met speciale behoeften.

Voor wie is een Australian Labradoodle geschikt

In eerste instantie zijn er vooral veel mensen met een allergie voor honden die zich aangetrokken voelen tot een Australian Labradoodle. Zeker als na een test blijkt dat zij wel goed reageren op een Australian Labradoodle is dat als een droom die uitkomt. Nooit gedacht, maar nu toch een hond in huis. Dit zijn dan ook veelal mensen die nooit eerder een hond hebben gehad. Maar door het gemakkelijke en goed te trainen karakter van een Australian Labradoodle is dat ook vrijwel nooit een probleem. De meeste fokkers van Australian Labradoodles testen de pups op een leeftijd van circa 7 weken ook op karaktereigenschappen en wijzen dan een pup toe aan een gezin dat daar het beste bij past, zodat de match de grootste kans van slagen heeft.

Toch zijn er nu ook steeds meer mensen zonder allergie die kiezen voor een Australian Labradoodle, omdat zijn karakter en zijn uiterlijk als levende teddybeer hem wel heel erg geschikt maken als echte huishond.

Wat de reden ook is dat je kiest voor een Australian Labradoodle, het is erg belangrijk dat je tijd voor hem hebt. Wanneer hij zichzelf te veel moet vermaken en niet wordt uitgedaagd of niet genoeg beweging krijgt kwijnt hij weg en dat is iets wat altijd voorkomen moet worden.

Gezondheid

Een Australian Labradoodle wordt tussen de 13 en 15 jaar oud. Vooralsnog zijn er geen specifieke gezondheidsproblemen die in dit ras voorkomen. Ouderdieren worden streng getest op heup,- elleboog en oogafwijkingen. Natuurlijk zijn er wel eens dieren die iets mankeren, maar veel voorkomende problemen zijn er nu niet. Omdat de Australian Labradoodle een ras in opbouw is worden pups momenteel wereldwijd op jonge leeftijd (ca 7 tot 8 weken oud) gecastreerd of gesteriliseerd. Dit is op dit moment de enige manier om gecontroleerd te blijven fokken en er voor te zorgen dat de specifieke kenmerken zoals de allergievriendelijkheid behouden blijven. Er bestaan verschillende meningen over de castratie/sterilisatie op jonge leeftijd, maar de pups herstellen zeer snel en er wordt voorkomen dat er door doorfokken problemen in het ras ontstaan.

En verder

Wanneer u geïnteresseerd bent in een Australian Labradoodle is het belangrijk om, juist omdat het nog geen erkend ras is, goed te onderzoeken waar u een pup vandaan haalt. Binnen Nederland zijn twee verenigingen actief: de IEALB (Independent European Australian Labradoodle Breeders) en de ALAEU (Australian Labradoodle Association Europe www.alaeu.com of www.alanl.nl), waar de meeste fokkers, en ik ook, bij zijn aangesloten. Altijd moet u zich er van verzekeren dat de ouderdieren de benodigde gezondheidstesten hebben ondergaan, dat u te maken hebt met een echte Australian Labradoodle en niet met een kruising tussen een labrador en een poedel (welke kruising vaak wordt aangeboden onder de naam Labradoodle) en natuurlijk moet u ook altijd kennis kunnen maken met de ouderdieren.  Het zou mooi zijn wanneer de Australian Labradoodle in de toekomst een erkend ras zou zijn. Maar ook zolang het dat niet is, zijn en blijven het vrolijke en gezellige honden met bijzondere eigenschappen.

met dank aan WWW.CITYDOODLE.NL


 karakter labradoodle

 





hondenschool lady karakter

HISTORIE
De Bull Terrier,die ook wel White Cavalier wordt genoemd, is 1 van de oudste Terrierrassen. De rasnaam werd al in 182 door Pierce Egan vermeld in de Annals of Sporting (Kronieken van de Sport). De Bijnaam van deze hond (Gladiator) zegt overigens genoeg over zijn kwaliteiten. Deze naam heeft hij te danken aan de tijd, toen hij tegen andere honden moest vechten in kuilen, die ‘pits’ werden genoemd. Deze “sport”die van de Middeleeuwen dateert, was zeer populair in Groot Brittannie. Gedurende zeer lange tijd werden eigenlijk alleen honden (vooral Buldogachtige) gebruikt om tegen stieren te vechten. Deze vorm van vermaak stond bekend onder de naam ‘bull baiting’. In het Engeland van de 16e en 17e eeuw waren gevechten tussen dieren bijzonder populair. Vooral koningin Elizabeth 1 (1533-1601) kon er niet genoeg van krijgen en als ze ergens op bezoek was, kon men haar geen groter genoegen doen dan dagenlang ’bull baiting’ en ‘bear baiting’ (gevechten tussen een hond en een beer) te organiseren. Koningen en Landheren hadden het alleenrecht op het gebruik van Mastiffs. De gevechten, waarin honden het tegen beren en wilde dieren moesten opnemen, waren bijzonder bloeddorstig. Met de industriële revolutie en de ontwikkeling van grote steden - waar mijnwerkers, metaalbewerkers en textielarbeiders woonden - kwamen er allerlei varianten op het traditionele en landelijke 'bull baiting'. De stier werd vervangen door allerlei soorten wilde dieren of huisdieren, dassen, beren, ezels, paarden, apen, soms zelfs leeuwen of luipaarden. De bedoeling hiervan was om meer publiek te trekken en de bedragen van afgesloten weddenschappen te verhogen.

oudefoto.jpg

Daarnaast moest ook worden geconcurreerd met de zeer populaire hanengevechten en de 'rats killing matches', wedstrijden tussen rattenvangers. De gevechten werden vooral in Londen, Birmingham, de Midlands en Noord-Engeland gehouden. In de hoofdstad werden zelfs twee arena's gebouwd: Westminster Pit en Pad-dington Pit. Uit de tekst van een affiche uit die tijd (1821) kan worden afgeleid hoe het programma in zo'n arena er uitzag: 'Gevecht met een beer en een stier, gevecht tussen twee honden, en, als hoofdattractie, het gevecht van de aap Jacco Macacco, dertienvoudig kampioen, tegen een hondeteefje.' De namen van de ingezette hondenrassen werden nergens genoemd, maar vechthonden kwamen in het algemeen voort uit kruisingen tussen de Buldog en verschillende Terriërs, zoals de Foxterriër, de Black and Tan Terriër (voorouder van de Manchester Terriër) en vooral de Old English White Terriër. Hamilton Smith schreef in 1843 in zijn Naturalist's Library (Bibliotheek van de Naturalist) dat deze exemplaren 'De koppigste en de wildste honden ter wereld waren ', en de mening van Clifford Hubbard, in Dogs in Britain (Honden in Groot-Brittannië) luidde dat 'Ze groter en sterker waren dan de Bull Terriërs van nu, en vooral met een heel ander hoofd, verwant met dat van de oude Bulldog'. 'Bijzonder lelijke bastaards', schreef Henry Davis in The Modern Dog Encyclopedia. De diverse benamingen, waarmee deze honden werden aangeduid - Bull and Terriër Dogs, 'Half and Half' (half om half), Pit Dogs, Pit Bulls - gaven overigens aan welke rassen waren gebruikt: bij de te zwaar geachte Bulldog was wat bloed van de Terriër ingebracht, die als koppig en behendig werd beschouwd.Toen 'buil baiting' in 1835 door het Britse Parlement werd verboden, leek de Bull Terriër al veel op het huidige ras. Deze vechthond vertoonde vrij veel overeenkomst met een Staffordshire Bull Terriër: zeer kort gecoupeerde oren, meestal van grotere afmetingen - 45 cm schouderhoogte - en een gewicht van 20 kg. Het door de regering afgekondigde verbod op dierengevechten maakte echter geen einde aan de hondengevechten. Men kon de Britten nu eenmaal niet verbieden een hond te bezitten, deze een intensieve training te geven, vooral omdat de agressiviteit van de hond uitsluitend was gericht tegen soortgenoten. Bovendien was het moeilijk om de locaties waar de gevechten zich afspeelden - schuren, achterplaatsen van cafés, of steengroeven (met name in Bodmin Moor in Corn-wall) - te controleren. Zo konden de gevechten ongehinderd tot het midden van de 19e eeuw worden gehouden.

oudefoto2.jpg

In 1860 verscheen de eerste hond die direct afstamde van de Pit Dogs op hondententoonstellingen. Deze White Cavalier, die al snel Bull Terriër werd genoemd, was van James Hinks, een hondenhandelaar uit Birmingham. Het was een exemplaar met een geheel witte vacht en een fijner, langer hoofd dan dat van de andere vechthonden. Hoewel James Hinks zijn 'recept' voor het fokken van zo'n hond nooit heeft prijsgegeven, moet deze haast wel het resultaat zijn geweest van een kruising tussen een Engelse Bulldog en een Old English White Terriër. Vervolgens werd er waarschijnlijk Dalmatiër, of in mindere mate Greyhound, Whippet en zelfs Pointer ingekruist. Kynologen hebben met deze inbreng - die overigens helemaal niet zeker is - het eivormige hoofd (een 'rugbybal') van de Bull Terriër willen verklaren, dat korte tijd later nog meer accent zou krijgen. Sommigen, zoals Edward Ash in zijn Practical Dog Book, vermeldden zelfs een inbreng van de Schotse Herdershond (Collie). J. Dhers, een beroemde Franse kynoloog, bracht een totaal andere mening naar voren dan zijn Britse collega's: 'Als de Bull Terriër iets van de Dalmatische Hond of de Greyhound heeft, dan zie ik vrij weinig gelijkenis met de kortbenige terriërs (de Cairn Terriër en de West-Highland-White Terriër) en nog minder met de Collie. Deze heeft toch echt een andere schedel dan de windhond. De ovale schedel van de Buil Terriër lijkt mij meer weg te hebben van de Whippet, die zelf van de terriërs stamt.' De analyse van Dhers berustte inderdaad op overtuigende feiten. Omstreeks 1860 namelijk had de Collie nog niet het lange en fijne hoofd waar het huidige ras prat op gaat. Daarnaast onderschatte men waarschijnlijk de rol die de Old English White Terriër heeft gespeeld. Deze werd veelvuldig gekruist met kleine windhonden. Toch oefende de 'nieuwe' Bull Terriër aantrekkingskracht uit op de bezoekers van hondententoonstellingen en op de liefhebbers van iets origineels. Dit wekte natuurlijk de woede en kritiek van de aanhangers van de 'oude' Bull Terriër. Zij verweten Hinks een beroemde vechthond te hebben gedegenereerd tot een tentoonstellingsobject met een smetteloos witte vacht en een sierlijk hoofd. Hinks stelde zijn tegenstanders toen voor om zijn teefje Puss te laten vechten met een gewone 'oude' Bull Terriër. De winnaar stelde hij maar liefst vijf pond (geen gering bedrag in die tijd) in het vooruitzicht, plus een kist champagne. Het duel werd gehouden bij Tuppers in Long Acre in de wijk Covent Garden in Londen. In een 30 minuten durend, fel gevecht doodde Puss haar tegenstander. De volgende dag, behaalde ze, vrijwel onbeschadigd uit de strijd gekomen, haar eerste prijs op een hondententoonstelling.

oudefoto3.jpg

Er was een mooie carrière voor de 'nieuwe' Bull Terriër weggelegd. Aan het eind van de 19e eeuw was hij een trouw bewaker geworden, die bovendien goed was opgevoed. Zijn bijnaam 'gladiator' werd dan ook als vanzelfsprekend vervangen door 'gentleman'.

In die tijd konden de door Hinks gefokte Bull Terriërs nog aanzienlijk in omvang variëren. Hoewel voor de tentoonstelling van Islington in 1863 een speciale klasse voor exemplaren van minder dan 12 (Engelse) pond (ongeveer 5,4 kg) was ingevoerd, kenden de keurmeesters alleen de grote exemplaren een prijs toe. In zijn boek Modem Dogs dat in 1903 verscheen, verzette Rawdon Lee zich tegen een dergelijke discriminatie. Een 'miniatuur' Bull Terriër bestond immers al in de beginperiode van het ras. Pas aan het eind van de 19e eeuw werd de bijzondere vorm van het hoofd - 'downface' - bepaald, ofwel de opvallende vorm, geen enkel reliëf vertonend en met een langzaam afhellend profiel.

1895 zou de Bull Terriër de eerste 'tegenslag' te verwerken krijgen. In dat jaar namelijk verzocht koning Edward VII de Kennel Club om een verbod op het couperen van de oren. Daarmee zou volgens velen een stukje charme verdwijnen van de lijnen van de Bull Terrier, die altijd de bij vechthonden gebruikelijke puntige gecoupeerde oren had gehad. De fokkers lieten zich echter niet uit het veld slaan en slaagden door selecctie erin honden te fokken met rechtopstaande oren. Deze honden waren de enige - naast die met half gevouwen oren die, in het begin, werden toegestaan. Maar de fokkers hadden nog steeds de strijd niet gewonnen en kregen al snel met een ander probleem te maken, dat voor de hele toekomst van het ras echt zorgwekkend bleek: een groot aantal Bull Terriërs werd doof geboren. Om verergering te voorkomen en om te proberen de dieren die het overbrachten uit te roeien, werd de standaard in 1920 herzien. Daardoor kwam er een eind aan het alleenrecht van witte exemplaren. Er zou namelijk een samenhang bestaan tussen de witte kleur en dit gebrek. Tenslotte werd ook de gekleurde Bull Terrier toe gestaan. Deze beslissing maakte het mogelijk zowel het doofheidprobleem op te lossen, als dat van het allesoverheersende, zeer onesthetische pigmentverlies, waar het ras veelvuldig door werd geplaagd. Uiteindelijk werd de Bull Terriër door de grote kleurenvariëteit steeds populairder.

oudefoto4.jpg

In 1943 erkende de Britse Kennel Club eindelijk de 'Miniatuur Bull Terriër.' Maar dat had nauwelijks gevolgen voor een betere verspreiding ervan. Deze kleine Buil Terriërs bestonden eigenlijk al in het begin van de 19e eeuw; de Miniatuur Bull Terriër stamt af van de oude kleine Bull Terriër en de oude Toy Bull Terriër. Hoewel het miniatuurtype dus al heel lang bestond, was het kort na de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) bijna uitgestorven.
Daardoor zagen de liefhebbers van Miniatuur Buil Terriërs geen andere oplossing dan het fokken van een zwaarder slag. Het gewicht voor een showexemplaar werd daarom op 18 pond (ongeveer 8,2 kg) bepaald. Het succes van de Bull Terriër beleefde een hoogtepunt na de Tweede Wereldoorlog (1939-1945). In de oorlog werd hij als politiehond gebruikt, en later als jachthond voor de jacht op grof wild in Afrika, omdat hij zo goed bestand bleek tegen het tropische klimaat. Sindsdien heeft de Bull Terriër zich in de Verenigde Staten gevestigd en in alle landen van het Britse Gemenebest. In Zuid-Afrika is het een van de populairste rassen.

billy.jpg

GEDRAG
Gezien het oorlogszuchtige verleden van de Bull Terriër, zou men zich terecht kunnen afvragen of dit dier het vertrouwen van zijn bazen wel verdient. Wie hondententoonstellingen bezoekt, kan echter constateren dat de Bull Terriërs gedisciplineerd zijn en weinig kabaal maken.

Ze gedragen zich vriendelijk tegenover de bezoekers en zelfs tegenover andere honden. Maar het feit dat de Bull Terriër ontzag heeft voor de mens, wil nog niet zeggen dat hij geen karakter heeft. Hij heeft juist een aard die net zo bijzonder is als zijn schoonheid origineel. Vóór alles is hij een terriër, en dat betekent dat hij heel levendig en spontaan is. Maar hij is ook eigenzinnig, soms zelfs ongehoorzaam. De baas zal zelf gezag moeten tonen om de Bull Terriër afhankelijk van zich te maken. Dat kan echter zonder bits, hard, wreed en autoritair te zijn. De baas moet zich laten gelden, maar heeft daarvoor niet perse heel veel ervaring nodig.
Om met een Bull Terriër te kunnen omgaan, moet men een soort 'gevoel' hebben. Daar komt nog bij dat deze hond - al staat hij onverschillig tegenover pijn - het zich altijd zal blijven herinneren als hij onverdiend straf heeft gekregen. Hij moest dus fair maar ferm worden opgevoed en behandeld.

Er wordt beweerd dat het manhaftige en dappere karakter van de Bull Terriër goed past bij een mannelijke persoonlijkheid. Maar dit wil absoluut niet zeggen dat hij niet goed zou kunnen opschieten met vrouwen. Hij hecht zich snel aan zijn baas of bazin en heeft in ruil daarvoor veel aandacht nodig. Deze hond zal dan bijzonder lief zijn en hij kan zonder meer worden aanbevolen als een kindervriend. Door zijn voortvarende en onomwonden gedrag is hij het ideale speelkameraadje voor spontane kinderen. Daarbij laat hij een onverwacht zachte kant zien, terwijl hij daarnaast instinctmatig en vurig over zijn 'kleine bazen' zal waken. Het is goed om hem van jongs af aan op te voeden, als hij nog het best handelbaar is. Eerst moet hem worden geleerd op het commando 'hier!' terug te komen. Bij de minste poging van agressief gedrag tegenover soortgenoten moet heel vastberaden worden opgetreden. Honden die vanwege agressief gedrag jegens soortgenoten (iets dat in principe bij honden van welk ras dan ook kan voorkomen) niet met andere viervoeters kunnen omgaan zijn zielige dieren. Honden zijn sociale wezens en moeten contact hebben met andere honden.

Bull Terriërs stammen dan wel af van vechthonden, maar dat betekent zeker niet dat vandaag de dag nog aan hun gedrag zou moeten worden gemerkt. Misschien zien ze er vervaarlijk uit met hun lange, dikke snuit, maar de gemiddelde Westie (West Highland White Terriër), is even onvervaard, driest en zelfverzekerd. En dat geldt voor ettelijke terriërrassen, die beslist niet populair zijn bij diegenen, die met hun hond willen imponeren.

De Bull Terriër heeft vaak kritiek te verduren gekregen. Hij werd ervan beschuldigd lastig, te impulsief en soms zelfs vals te zijn. Daarbij beriep men zich erop dat hij voorouders heeft die gevreesde vechters waren. Dergelijke kritiek wijst echter op een volledige miskenning van het ras. Maar dat neemt niet weg dat zijn specifieke eigenschappen ook bepaalde nadelen hebben. Zo schreef J. Dhers dat deze aan het licht komen als de hond als pup door een 'hard en onbekwaam iemand' is opgevoed. Maar degenen die deze hond voldoende aandacht geven, zien in de schittering van zijn gitzwarte schuine oogjes een onweerlegbare zachtmoedigheid en zelfs de fonkeling van de 'zo typisch Britse' humor.

Met dank aan Off Daikini bullterriërs

Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan: